My Yalp

Nieuw onderzoek: gaan jongeren beter leren door bewegen?

Yalp Academy

Nieuw onderzoek: gaan jongeren beter leren door bewegen?

Bewegen kan helpen de cognitieve functies en leerprestaties bij jongeren en jongvolwassenen (12-30 jaar) te verbeteren, blijkt uit nieuw onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. In dit artikel lees je meer over deze meta-studie en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen voor de praktijk.

Steeds meer mensen in de moderne samenleving hebben een inactieve levensstijl. Dit bedreigt de publieke gezondheid [1]. Weinig bewegen of veel zitten heeft niet alleen negatieve gevolgen voor onze fysieke gezondheid, zoals een verhoogd risico op hart- en vaatziektes [2]. Ook leidt het tot verminderd ‘cognitief functioneren’ [3]. Denk bijvoorbeeld aan aandacht, plannen en werkgeheugen.

Cognitieve functies bij jongeren

Dat negatieve effect geldt ook voor jongeren: te weinig bewegen vermindert hun cognitief functioneren. Problematisch, want juist voor hen zijn die functies enorm belangrijk. Voor een goede cognitieve ontwikkeling is de ‘adolescentie’ immers een cruciale fase [4]. Goed werkende cognitieve functies zijn voor hen belangrijk voor succes op school, maar ook voor de latere beroepsuitoefening en het verdere leven [5]. Daarin is het extra belangrijk dat jongeren voldoende bewegen, om de negatieve gevolgen van een inactieve leefstijl te voorkomen of verminderen. Dit pleit voor interventies die jongeren meer laten bewegen.

Bewegen verbetert cognitieve functies bij kinderen en ouderen

Maar dragen zulke beweeginterventies wel echt bij aan het doel van betere leerprestaties? Eerder onderzoek toonde al aan dat beweeginterventies positieve effecten hebben op cognitieve functies en schoolvaardigheden bij kinderen jonger dan 12 jaar [6]. Ook bij ouderen zijn deze effecten aangetoond [7]. Bij kinderen en ouderen treden deze positieve effecten op na eenmalige fysieke activiteit (zoals enkele minuten rennen) én na langdurige fysieke activiteit (meerdere beweegsessies over weken of maanden).

Maar voor jongeren en jongvolwassenen is nog minder bekend over de effecten van beweeginterventies op het cognitief functioneren en de schoolvaardigheden.

Nieuw onderzoek: invloed van bewegen op cognitie jongeren

Om meer inzicht te krijgen in wat al wél bekend is over die cognitieve effecten van bewegen op jongeren, hebben we (onder wie de auteurs van dit artikel, red.) een literatuurstudie uitgevoerd. Daarbij maakten we een overzicht van de effecten die eerdere studies op dit gebied vonden. Dit heet ook wel meta-analyse: een studie die eerder onderzoek samenvat en de resultaten bundelt. Dat is een krachtige methode, omdat de resultaten iets zeggen over een grotere doelgroep en omdat je tegenstrijdige effecten van eerder onderzoek in samenhang kunt analyseren.

In totaal zijn 71 studies geselecteerd en onderverdeeld in:

  • Studies naar de effecten van acute fysieke activiteit op cognitie.
  • Studies naar de effecten van langdurige fysieke activiteit op cognitie.

Deze effecten zijn onderzocht op vier domeinen:

  • Aandacht.
  • Informatieverwerkingssnelheid: de tijd die het duurt voordat je op bepaalde informatie kunt reageren, vaak gemeten in reactietijd en nauwkeurigheid.
  • Executieve functies: cognitieve functies die actief denkprocessen reguleren en gedrag aansturen, zoals werkgeheugen, inhibitie (onderdrukken van afleidende prikkels) en cognitieve flexibiliteit (wisselen tussen verschillende taken).
  • Schoolprestaties, zoals rekenvaardigheid, taalvaardigheid, gemiddelde cijfer van alle vakken op school.

De gemiddelde leeftijd van de onderzochte populatie lag in deze studies tussen de 12 en 30 jaar.

Onderzoeksresultaten: effecten van eenmalig bewegen

44 studies onderzochten de effecten van eenmalige fysieke activiteit (5 tot 60 minuten). Daarbij voerden de jongeren of jongvolwassenen een matig tot intensieve fysieke activiteit uit. Meestal een aerobe activiteit zoals hardlopen of fietsen, en soms krachttraining of een coördinatie-interventie.

Wat blijkt? Na eenmalige fysieke activiteit verbeterde de informatieverwerkingssnelheid in het brein, aandacht en inhibitie. Die effecten werden kleiner als de interventie langer duurde. Dit kan komen doordat deelnemers moe werden en zich minder goed konden concentreren op de taken die zij moesten uitvoeren. Slechts één studie onderzocht het effect op schoolprestaties, dus daar kunnen we geen uitspraken over doen.

Onderzoeksresultaten: effecten van langdurig bewegen

In 27 studies stonden de effecten van langdurige fysieke activiteit op cognitieve functies of schoolprestaties centraal (duur: varieerde van 1 tot 40 weken; frequentie: varieerde van 2 keer per week 35 minuten tot dagelijks 60 minuten). Wederom gebruikten de meeste studies aerobe interventies, maar ook wel yoga-interventies, cognitief uitdagende beweeginterventies en krachttraining.

Wat bleek: langdurige fysieke activiteit verbeterde de informatieverwerkingssnelheid, aandacht, inhibitie, cognitieve flexibiliteit, werkgeheugen en taalvaardigheden.

Bewegen verbetert cognitieve functies; langdurig bewegen verbetert ook leerprestaties

Uit de resultaten van de meta-analyse blijkt dus dat zowel eenmalige als langdurige fysieke activiteit de cognitieve functies van jongeren en jongvolwassenen verbetert. Eenmalig bewegen verbetert de informatieverwerkingssnelheid, aandacht en inhibitie, maar niet het werkgeheugen en de cognitieve flexibiliteit. Verder blijkt dat een kortere beweegsessie grotere verbeteringen oplevert, dan een langere sessie.

Langdurig bewegen blijkt effectief voor het verbeteren van cognitieve functies én schoolprestaties. Dit type beweeginterventie liet op meer domeinen positieve effecten zien, en met iets grotere effecten dan na een eenmalige fysieke activiteit.

Aanbevelingen voor de praktijk

  • Gebruik zowel kortdurende als langdurende beweeginterventies om de cognitieve functies te verbeteren.
  • Gebruik langdurige beweeginterventies om ook de schoolvaardigheden te verbeteren.

Over de auteurs

Barbara Haverkamp, promovenda, en Esther Hartman, universitair hoofddocent, zijn verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, Centrum voor Bewegingswetenschappen, waar eerder al studies zijn uitgevoerd naar het verband tussen bewegen en cognitie.

Barbara is bezig met een promotieonderzoek, waarbij zij kijkt naar relaties tussen fysieke fitheid en cognitieve functies, schoolvaardigheden en de mentale gezondheid bij jongeren (12-15 jaar). Daarnaast is er afgelopen schooljaar een beweeginterventie uitgevoerd bij diverse scholen om te kijken naar de mogelijke effecten bij deze doelgroep in Nederland. Haar resultaten worden de komende tijd bekeken en daarna gepubliceerd en gepresenteerd.

Esther onderzoekt de motorische ontwikkeling van kinderen met en zonder beperking. Ze doet ook onderzoek naar de relatie tussen fysieke activiteit, cognitie en mentale gezondheid van kinderen en jongeren. Ze ontwikkelt en implementeert beweeginterventies om leefstijl en gezondheid te bevorderen.

Bronnen

  1. Levine JA. Health-chair reform: your chair: comfortable but deadly. Diabetes. 2010;59(11), 2715–6.
  2. Li J, Siegrist J. Physical activity and risk of cardiovascular disease: a meta-analysis of prospective cohort studies. Int J Environ Res Public Health. 2012;9(2), 391–407.
  3. Voss MW, Vivar C, Kramer AF, Praag H van. Bridging animal and human models of exercise-induced brain plasticity. Trends Cogn Sci. 2013;17(10), 525–44.
  4. Casey BJ, Giedd JN, Thomas KM. Structural and functional brain development and its relation to cognitive development. Biol Psychol. 2000 Oct;54(1-3):241-57.
  5. Diamond A, Barnett WS, Thomas J, Munro S. Preschool program improves cognitive control. Science. 2007 Nov 30;318(5855):1387-8.
  6. Greeff JW de, Bosker RJ, Oosterlaan J, Visscher C, Hartman E. Effects of physical activity on executive functions, attention and academic performance in preadolescent children: a meta-analysis. J Sci Med Sport. 2018 May;21(5):501-507.
  7. Northey JM, Cherbuin N, Pumpa KL, Smee DJ, Rattray B. Exercise interventions for cognitive function in adults older than 50: a systematic review with meta-analysis. Br J Sports Med. 2018 Feb;52(3):154-160.